Kunstenaarsdorp Pietrasanta van creatieve vrijplaats naar blasé Nouveau Riche 

Door: Guus Joos
Als je in Italië rijdt over de A12, de route langs de kust die Rome verbindt met de Côte d’Azur, dan zie je op een gegeven moment de bergen van Carrara in het achterland opdoemen. Het is zomer en toch lijkt er witglinsterende sneeuw te liggen… het is het wit blinkende marmer van de steengroeven. De marmerwinning in de streek rond Carrara dateert al uit de Oudheid. De inwoners van de nabijgelegen Etruskische stad Luni (gewijd aan de witte(!) maangodin) hielden zich er al mee bezig. In de tijd van keizer Augustus kwamen de activiteiten in een stroomversnelling. Romes eerste keizer pochte in zijn testament dat hij bij het begin van zijn regering een stad aantrof van baksteen en, toen hij de macht overgaf, een stad van marmer achterliet. Dit verhaal gaat over het gebied van het marmer en mijn belevenissen als beeldhouwer daar, in deze uiterste noordwesthoek van Toscane.
 

Guus Joos

In Carrara was ik voor het eerst in 1986. Zomer, vakantie, we hadden gehoord van een popconcert in het plaatselijke stadion. Eerst even de stad bekijken. De riviertjes die dwars door het centrum liepen, waren wit als melk. Toen werd het water dat gebruikt werd in de hoger gelegen zagerijen nog ongegeneerd met marmermeel en al in deze torrenti gekieperd. Het concert viel tegen en de mensen vonden we niet leuk, noch op de camping, noch op het strand. Hier nooit meer naartoe, dus. Hoe anders kan het lopen.

Twee jaar later was ik voor het eerst in Pietrasanta, of eigenlijk daar in de buurt, in de bergen boven het nabij gelegen dorpje Serravezza. Die omgeving zou mijn tweede thuis worden. Na een afgeronde studie geschiedenis werkte ik in een museum, maar in de avonduren was ik de kunstacademie gaan volgen, een oude droom najagend. Aan het einde van het lesjaar bood een docent een cursusweek ‘kennismaking met steenbewerking aan’. Ik was verkocht. Vooral het materiaal: marmer. Ik kwam al jaren in Italië, was er graag, sprak de taal al een beetje en een annonce in de krant, ‘cursussen marmerbeeldhouwen in Toscane’ deed de rest. Wat begon als een spontane zomerse onbezonnenheid in dat bergdorpje in de Alta Versilia werd allengs een vast ritme. Ik maakte er vrienden en bleef elk jaar terugkomen. Er waren in de zomer veel tentoonstellingen, feesten en ook werd er hard gewerkt. Het waren de late jaren ’80, er werd veel geëxperimenteerd, er waren performances, concerten, theatergroepen die langskwamen, veel creatieve gekkigheid, alles kon, het speelse stond voorop. Er ging een wereld voor mij open en ik voelde me als een vis in het water.

Het cursussencentrum in het dorp Azzano was internationaal maar vooral Duits. De ijver en het serieuze van de Duitse beeldhouwers spraken mij aan, evenals hun aandacht voor degelijk handwerk en ambacht. Ik heb daar veel geleerd. In het bergdorp waar de beeldhouwcursussen plaatsvonden, hadden de meeste autochtone bewoners wel iets met de marmerwinning en industrie te maken (gehad). In het plaatselijke kroegje, ‘Bar Clara’, genoemd naar de vrouw van de eigenaar, ontmoetten cursisten en dorpelingen elkaar. Vooral de gepensioneerde steengroevearbeiders kwamen maar wat graag wijntjes drinken met luchtig geklede cursistes uit Duitsland en Nederland.

De gigantische blokken marmer werden over een smal pad met mankracht naar beneden ‘gerold’.

Toen ik sommigen van die mannen beter leerde kennen, kreeg ik ook hun verhalen te horen over hun harde bestaan vroeger toen in de steengroeves vrijwel al het werk nog met de hand werd gedaan. De blokken werden daar na het machinaal zagen, met de hand gevlakt door de zogenaamde squadratori en dan op een slee (de lizza) de berg af getakeld. Deze lizzatura was gevaarlijk, want voor de slee met een paar ton steen erop moesten met zeep ingesmeerde dwarsbalken worden gelegd, waarna anderen boven de kabel weer een stukje lieten vieren. Een niet goed begrepen commando kon dodelijk aflopen. Zo waren er in Bar Clara ook oude mannen die elkaar niet spraken vanwege een of ander voorval op het werk, jaren geleden. Zo zat ik er een keer naast een man die, een beetje aangeschoten, begon te fluisteren: ‘Hij daar’, hij wees naar iemand die stond te geinen met een stel buitenlandse dames, ‘hij deed het bijna in zijn broek, daar boven in de “cava”, en omdat hij de baas goed kende wist hij ervoor te zorgen dat hij zo snel mogelijk op een andere plek werd gezet… Moet je hem daar nou zien staan, de slijmerd…’.

Pietrasanta

De afgelopen twaalf jaar heb ik ’s zomers als docent vooral in en om Pietrasanta gewerkt. Dit pittoreske stadje heeft vanouds een naam als kunstcentrum. In de vlakte van de Versilia, de smalle kuststrook tussen Massa en Viareggio, bevinden zich een heleboel bedrijven die direct of indirect betrokken zijn bij de marmerverwerking. Het merendeel daarvan zijn de honderden zagerijen waar de blokken uit de steengroeves tot platen worden verzaagd. Daarmee worden vloeren, keukens, gebouwen, pleinen enzovoort over de hele wereld bekleed.

De artigiani (handwerkers, ambachtslui) kunnen toveren met steen. Van hen kun je alle trucs leren, welk gereedschap je wanneer waarvoor moet gebruiken. Het is een ambacht en je kunt het niet uit een boek leren, alleen door het te doen. Hun kennis wordt sinds generaties van vader op zoon doorgegeven. Dat is ook een van de redenen dat het vak van handwerker bezig is uit te sterven: je moet er jong mee beginnen en de eerste jaren zijn de verdiensten laag want je moet alles nog leren. Het zijn lange werkdagen, het werk is zwaar en je staat altijd in het stof. Jongeren kiezen tegenwoordig liever voor een beter betalende kantoorbaan.

Afgezien van andere veranderingen is er ook de voortschrijdende mechanisering. In de jaren ’50 ging heel veel nog met de hand; daarna werden er allengs meer machines ingezet en kon één man steeds meer werk aan. Vandaag de dag kan een te kopiëren beeld door een computer worden ingescand. Die verwerkt de gegevens en vervolgens freest een robot-arm, met daaraan een diamantschijf, het beeld uit de steen.

In 2007 werkte ik in een echte oude studio in het centrum van Pietrasanta. Die is nu helaas ook gesloten. De meeste Italiaanse handwerkers daar waren al ver over hun pensioengerechtigde leeftijd. Dat pensioen zal waarschijnlijk geen vetpot zijn, maar wat vooral geldt: ‘wat zal je thuis gaan zitten als je nog kan werken?’ Zij delen hun kennis graag met buitenlandse beeldhouwers, trots als ze zijn op hun kunde en ervaring. Het is fantastisch om ze bezig te zien. De studio heeft contacten met het nog vrome zuiden van Italië. En als er vanuit Catania een telefoontje komt dat opa is overleden, wordt dit bericht inderdaad gevolgd door een fax met alle gegevens voor de opdracht, de afmetingen en de gewenste voorstellingen voor een grafplaat waarachter opa’s kist op de begraafplaats zal worden ingemetseld. Een van de oude handwerkers is anderhalve dag bezig met een reliëf dat de zeer geliefde heilige Padre Pio voorstelt. Vervolgens komt er een ander die de bloemguirlandes maakt rond het lijstje waarin later opa’s fotoportret zal komen. Weer een ander maakt in ook weer een middagje de letters van de tekst op de steen. In het oorspronkelijke studiosysteem heeft elke handwerker z’n specialisme: de sbozzatore doet het grove werk, de vorm globaal uit het blok bevrijden, de pannista maakt de plooien van de gewaden, de ornatista zorgt voor knoopjes en sieraden en dergelijke. Ook het raspen en schuren zijn aparte specialisaties; een lopende-bandsysteem avant la lettre.

Marmer jutten in de rivier

Maestro Mauro

In 2001 kreeg ik de mogelijkheid om de techniek van het puncteren te leren, een manier om hoogte/diepte te meten en zo vaste punten van een gipsmodel over te zetten in steen, kopiëren kortom. Ik deed dit bij Mauro, ook een gepensioneerde artigiano die in zijn jonge jaren twee keer de Pietà van Michelangelo had gekopieerd, op ware grootte. Daar had hij als 25-jarige jonge vent toch wel van wakker gelegen, of hij alles goed had gedaan, vertelde hij me, maar het was allemaal gelukt. Als je met Mauro werkte, kreeg je eigenlijk drie cursussen tegelijk: werken in steen, Italiaanse taal en Toscaanse keuken. Zijn taallesmethode bestond eruit dat hij, als je niet begreep wat hij zei, steeds dichter met z’n hoofd naar je toe kwam en steeds langzamer en luider herhaalde wat hij gezegd had…. Het werkte altijd.

Op een expositie heb ik Mauro ook wel eens meegemaakt in een hoogoplopende discussie met een andere Italiaanse beeldhouwer, je verwacht over kunst of over de kwaliteit van de verschillende marmersoorten, maar nee: over de vraag of je voor spaghetti carbonara hele eieren gebruikt of alleen de dooiers…

Zijn studio was een heerlijke, beschaduwde plek, een hoekje in een kwekerij voor tuinplanten. Mauro kende de eigenaar al sinds hun gezamenlijke lagere-schooltijd en in ruil voor dagelijks een uurtje sproeien had hij er een werkplek. Hij had er een waar paradijsje van gemaakt met koelkast, eettafel, eigen tomatenplanten en een ouwe badkuip waar basilicum in groeide. Er scharrelden wat kippen rond en als de haan kraaide, riep Mauro altijd: ‘Stai zitto che porti acqua…!’, zeker als hij ervan was dat een overdag kraaiende haan regen aankondigde. Ik maakte een detail van een beeld van Michelangelo, het gezicht van de zogenaamde ‘Stervende Slaaf’; het origineel staat in het Louvre. Het werk was eigenlijk puur oefenen. Bij mij duurde het uitmeten van een punt in het begin zo’n twintig minuten. Mauro deed hetzelfde in een halve minuut. Daar moest ik mij niet door laten ontmoedigen, zei hij, want hij had tenslotte al zo’n veertig jaar voorsprong. De vierde dag echter kwam hij achter mij staan en begon opeens te knetteren: ‘Als je in dit tempo doorwerkt, wordt het nooit wat!, potver….!’ Met een rooie kop werkte ik door, zo goed en kwaad het ging. Toevallig belde die dag net een van z’n ex-vriendinnen die ik ook goed kende. Ze wilde mij ook wel even spreken. Zwijgend gaf Mauro mij z’n mobieltje. ‘Oh, heeft ’ie je even de oren gewassen? Dat is normaal hoor, dat heeft ’ie bij mij zo vaak gedaan toen ik bij hem werkte. Let maar op, zo meteen komt ie z’n verontschuldigingen aanbieden…’ En ja hoor. De relatie tussen een beeldhouwer en een artigiano is ook een heel subtiele, vergelijkbaar met die tussen een architect en een aannemer. De een bedenkt en is van de ideeën en de theorie, de ander is van de praktijk en voert uit. Ik vond dat Mauro zich vaak wel erg onderdanig opstelde tegenover opdrachtgevers. Tegen mij zei hij dan: ‘Ik voer alleen maar uit, ik maak na, maar jullie kunstenaars vinden uit, jullie creëren…’.

Het is niet de taak van een artigiano om kritiek te hebben op het ontwerp dat hij moet kopiëren en eventueel vergroten. Maar zijn de onvolkomenheden in een klein model onopvallend, bij de vergrote versie springen ze onmiddellijk in het oog. En een artigiano weet dat. Met twee weken had ik mijn Michelangelo-kopie klaar. Geleidelijk had ik er toch steeds meer handigheid in gekregen. Mauro zei: ‘Elke volgende keer dat je weer zo’n project begint, gaat het twee keer zo snel’. Dat bleek te kloppen. Als je het eenmaal weet en beheerst, is het simpel – zo is het in zoveel gevallen. Nog vaak ben ik bij Mauro langs geweest, pranzo in de schaduw en met een zak enorme vleestomaten er weer vandaan. Ik wilde deze techniek leren om ooit ook mijn eigen werkstukken in steen om te kunnen zetten. In 2012 was het weer eens zo ver. Het was in augustus namelijk zo heet – een week lang rond de 40 graden – dat ik ’s middags in de studio bijna bevangen raakte door de hitte en het werken met (door) slijpmachines te gevaarlijk begon te worden. Dus ging ik in klei boetseren en maakte een kop. Bij een bevriende bronsgieter, die heel goed met gips kan werken, liet ik de kop afvormen. Vanwege de warmte was dat ook in twee dagen gepiept. En in acht dagen had ik de hele kop omgezet in zwarte Belgische hardsteen.

Weemoed

Inmiddels kom ik alweer bijna dertig jaar in de Versilia en omkijkend ontsnap ook ik niet aan een zekere weemoed. Vooral de laatste tien jaar heb ik het erg zien veranderen. Pietrasanta is chic, luxe en mondain geworden. De jet set en de rijken die vroeger in de zomer het nabij gelegen Forte dei Marmi bevolkten zijn nu massaal naar het kunststadje getrokken. Dat schijnt een natuurwet te zijn: wat gebeurde op andere plekken, zoals Soho in Londen of Greenwich Village in New York, gebeurt nu hier. Eerst is er armoede, dan komen er kunstenaars omdat het leven goedkoop is en er goed kan worden gewerkt, dan komt er sfeer en Schwung. En wat eerst geheimtip is wordt dan hotspot, de place to be. Een bekend restaurant kan zijn prijzen tot astronomische hoogte opvoeren, de mensen komen toch wel omdat ze de kans lopen daar de wereldberoemde schilder/beeldhouwer Fernando Botero met zijn Colombiaanse entourage aan te treffen. In het Pietrasanta van vroeger streken de artigiani en buitenlandse beeldhouwers na hun werktijd in de studio’s in de stad neer bij bar Iris of bar Igieia. In hun bestofte plunje bestelden ze luidruchtig bersaglieri en wijn voor een paar honderd lire. Kunst zou de Vervolg van pagina 21 wereld veranderen; dat soort gesprekken. Niemand had een cent : ‘Wir sitzen hier am Mittelmeer und haben keine Mittel mehr’, riep men elkaar toe. Van Sem Ghelardini, de eigenaar van de bekende studio Sem, waar grote projecten werden uitgevoerd, is de uitspraak bekend: ‘Se tutto va bene siamo rovinati’ (‘Als alles goed gaat zijn we failliet’). Als het uit de hand liep – wat natuurlijk vaker gebeurde – zei de bareigenaar, die het een paar uur na middernacht welletjes vond en zijn etablissement domweg afsloot: ‘Jongens, als eindelijk alles leeg is, zet de glazen dan even bij de deur. En niet te veel herrie straks hè. Bedankt, tot morgen!’.

Zien en gezien worden

In het dure en chique Pietrasanta van vandaag paradeert men in het zomerseizoen in haute couture over de piazza en doet z’n best zo blasé te kijken als maar mogelijk is, want het gaat natuurlijk vooral om het gezien worden. Op de terrassen lijkt het personeel weggeplukt uit een fotomodellenbureau en zich ook eigenlijk te goed te voelen om je te bedienen. Voor een bodempje wijn in een enorm glas betaal je prijzen zoals op piazza San Marco in Venetië. Eén voor één verdwenen de beeldhouwstudio’s en grappige onduidelijke kleine winkeltjes uit het centrum en maakten plaats voor etalages van makelaars, heel veel peperdure kunstgaleries en veel, héél veel restaurants. De lokale bevolking heeft Pietrasanta ook al spottend omgedoopt tot ‘cenatown’… Enfin, ook dat zal wel weer voorbijgaan. Ik kom er toch nog steeds heel graag (zij het niet meer zo op de piazza) omdat het mooie materiaal en de knowhow er zijn en de vrienden en collega’s met dezelfde passie als ik. Ik voel mij dankbaar en bevoorrecht dat ik in dit oord mag werken en hoop dat nog lang te kunnen blijven doen…

Heeft dit verhaal uw interesse gewekt om zelf ook eens hamer en beitel ter hand te nemen en vormgevende vaardigheden te ontwikkelen? Houd dan de aankondigingen op mijn website, www.guusjooss.nl, in de gaten.

Reageer

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd Required fields are marked *

*